De tuinman

Ineens staat hij weer voor de deur. De tuinman. Je weet wel, de vriendelijke Ier die zo kunstig om de bloempjes heen maait. Of het uitkomt dat hij het gras komt maaien, vraagt hij. Ik zou niet weten waarom niet, en dus zeg ik hem dat ik de poort wel vast open zal zetten.

Verhuizen

Hij heeft zich alweer half omgedraaid als hij vraagt: ‘How’s life?’ Ik vind het een gek idee dat ik hem straks niet meer tegen zal komen, niet in het dorp en niet in mijn eigen tuin. En dus vertel ik de tuinman maar dat ik binnenkort moet verhuizen, dat ik voor korte of langere tijd terug moet naar Nederland. Ik vertel hem dat ik eigenlijk in Ierland wil blijven, dat ik nog lang geen genoeg heb van dit prachtige land.

Hij kijkt me peinzend aan. Dan zegt hij dat hij best een goed woordje voor ons wil doen bij de huisbaas. Misschien dat we dan wel kunnen blijven? Ik leg hem uit dat het iets ingewikkelder ligt dan dat. De huisbaas zou er vast geen problemen mee hebben als we dit huis nog wat langer zouden huren. Maar we gaan niet terug, ik ga terug.

Zijn gezicht betrekt, zoals ik de laatste tijd wel meer gezichten heb zien betrekken. ‘Vertel maar wat je wilt vertellen,’ zegt hij. ‘Of vertel maar niets, als je niets wilt vertellen.’ Verderop staat zijn grasmaaier nog steeds te ronken. Het maakt hem niet uit. En dus vertel ik wat ik wil vertellen. Hij luistert geconcentreerd.

Schrammen

Als er een stilte valt zie ik dat zijn blik is afgedwaald naar mijn knieën en mijn ellebogen. ‘What’s that all about?’

Een begrijpelijke vraag – ik zit onder de schrammen en blauwe plekken na een wat ongelukkig hardloopavontuur een paar dagen geleden. Terwijl ik antwoord geef, zie ik een glimlach verschijnen op zijn gezicht. Hij herhaalt mijn verhaal, hij vertelt mij wat ik hem zojuist heb verteld. ‘Met alles wat er in jouw leven gebeurt,’ concludeert hij, ‘stap jij in de auto en ga je een hele dag door de bergen struinen.’

Hij steekt zijn wijsvinger op en drukt me op het hart om te blijven hardlopen, om in beweging te blijven, om de natuur te blijven opzoeken. ‘Buiten zijn is goed, goed voor je ziel.’ Ik knik vastberaden. Vroeger liep hij ook hard, zo vertelt hij me. Nu gaat dat niet meer. Nu heeft hij zijn tuinen. Ook zwemt hij graag – misschien heb ik hem weleens gezien in de verte, want hij steekt soms de rivier over die voor het huis langs stroomt.

Mond vol tanden

De grasmaaier ronkt nog steeds. Als hij de klus wil klaren voor het donker wordt, moet de tuinman echt gaan opschieten. Maar eerst wil hij nog iets kwijt. De oude, vriendelijke Ier wil me nog zeggen dat hij voor me gaat bidden. Die zag ik niet aankomen. Ik sta met mijn mond vol tanden – ik heb al een tijdje niet zoveel vrome woorden paraat, en hier bij de voordeur weet ik tegenover de tuinman al helemaal weinig zinnigs uit te brengen.

‘Jij bidt misschien wel nooit,’ vervolgt hij, ‘maar ik wel.’ Hij demonstreert hoe hij ’s avonds laat op zijn knieën gaat en hoe hij daarna dan moeizaam weer overeind komt. Vanavond gaat hij dat ook doen, besluit hij. Ik bedank hem en zeg dat ik normaal wel bid, maar dat ik de laatste tijd een beetje bid-moe ben. Volgens de tuinman is dat niet zo’n ramp. Hij gebaart naar mijn gehavende ellebogen. ‘God kan wel tegen een stootje. Net als jij.’

Het is hoog tijd om de ronkende grasmaaier in beweging te brengen. In het halfdonker begint de tuinman aan zijn vaste routine. Zorgvuldig maait hij om de bloempjes heen. Na een half uur gaat de deurbel weer. ‘Ik ben vergeten hoe je je naam schrijft,’ zegt de tuinman verontschuldigend. Ik realiseer me dat ik zijn naam ook nooit goed heb verstaan. We spellen allebei onze namen. Een wonderlijk afscheid van een wonderlijke man.

One thought on “De tuinman

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *