Honderd keer één kilometer

‘Hoe ver zijn jullie eigenlijk aan het lopen?’ De wandelaar vertraagt zijn pas om me rustig te kunnen observeren. ‘Honderd kilometer,’ antwoord ik. De wandelaar vertraagt nog meer. Nu staat hij stil. De grijns op mijn gezicht houdt het midden tussen schroom en trots. ‘En hoeveel heb je er al gehad?’ Ik kijk op mijn horloge. ‘Ruim zeventig.’ Ondertussen begin ik weer aan een moeizaam drafje. ‘Ik wilde zeggen dat je er bijna bent,’ zegt de wandelaar, ‘maar dat is misschien wat optimistisch.’ Hij vervolgt zijn wandeling en ook ik vervolg mijn tocht. Nog dertig kilometer te gaan.

De volgende boom

Anderhalve week geleden liep ik mijn grootste afstand tot nu toe. De Grizzly 100, honderd kilometer door de heuvels van Zuid-Limburg. Voor veel mensen een afstand die niet te overzien is. Ik hoor ook bij die mensen. Maar honderd kilometer is wel te overzien als tien keer tien, of twintig keer vijf kilometer. Of, als het echt zwaar wordt, honderd keer één kilometer.

Zo rond de zeventig, toen ik net de wandelaar had gesproken, werd het inderdaad een kwestie van steeds die ene kilometer volmaken. Want één kilometer, dat lukt altijd. En als zelfs dat niet meer behapbaar lijkt, kun je altijd nog in ieder geval tot de volgende boom lopen. En dan weer tot de volgende boom. En dan weer …

Waarom

De vraag die nogal eens wordt gesteld, is waarom. Waarom zou je zo lang willen lopen? Waarom besteed je al die tijd niet ergens anders aan? Waarom is een marathon niet ver genoeg? Het antwoord op die waarom-vragen is voor iedereen verschillend. De een wil zichzelf graag bewijzen, de ander wil uitvinden waar de grens ligt van wat mogelijk is, en weer een ander doet het omdat het nu eenmaal fijn is om in de natuur te zijn – hoe langer, hoe beter.

Voor mij komt er in het lopen van lange afstanden veel samen. Ik ben graag buiten en ik geniet van de stilte en de geluiden van de natuur om me heen. Ik zet graag mijn lichaam aan het werk, omdat de rest van mijn dagelijks leven veelal bestaat uit zitten en nadenken. En ik heb gemerkt dat hoe langer ik loop, hoe rustiger het wordt in mijn hoofd. Dat is een zegen wanneer je dagelijks overspoeld wordt met prikkels. Die rust in je hoofd geeft ruimte aan frisse ideeën en verrassende oplossingen.

Tegelijk geeft het ook ruimte aan twijfel, zwaarmoedigheid en aan oude, weggestopte herinneringen die ineens weer de kop opsteken. Maar doordat je je zolang voortbeweegt, gaan al die dingen ook vanzelf weer voorbij. Op een moeizaam stuk volgt euforie, op een klim volgt een top. Elk dal is eindig – zo kun je elk deel op waarde schatten, ondergaan, en weer achter je laten.

Dit nooit weer

Met nog een paar kilometer te gaan kom ik weer een wandelaar tegen. Hij stelt dezelfde vragen over hoe ver en hoe lang nog. Mijn benen zijn stijf geworden, ik jog inmiddels als een pinguïn met haast. ‘Nog maar een paar kilometer,’ joel ik met een soort wanhopig enthousiasme. Er verschijnt een diepe frons in het voorhoofd van de man. Hij zegt niets meer, hij kijkt alleen maar. Hij brengt me aan het twijfelen, juist nu ik er bijna ben. ‘Dit nooit weer,’ denk ik bij mezelf.

Dan is daar de finish, de medaille, de trofee. Na een dag lopen, van zonsopkomst tot zonsondergang, is het plotseling klaar. Met het passeren van de finishlijn verdwijnt ‘dit nooit weer’ als sneeuw voor de zon. Ook dat dal was eindig – het maakt plaats voor wat hierna komt. Erdoorheen gaan, dwars door het dal, maakt dat je daarna weer kan klimmen. Al is het maar van boom tot boom. Dat ervaren, dat leren, dat is deel van mijn ‘waarom’ – dat, en natuurlijk de oneindige hoeveelheid eten die je na afloop naar binnen mag werken…!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *