Op zoek naar de top

Het is een lange klim. Ik heb al een paar keer gedacht dat ik bijna boven was, maar telkens blijkt de berg toch nog ietsje hoger te zijn. Het helpt niet mee dat ik de top niet kan zien liggen – het is mistig, het regent af en toe, en door de harde wind tranen mijn ogen.

Gedaante

Dan komt er vanuit de mist een gedaante tevoorschijn. De gedaante heeft een baard en een hond. Hij heeft me gezien en komt langzaam mijn kant op. Als hij nog zo’n vijf meter bij me vandaan is roept de gedaante met een moeilijk Iers accent: ‘Do you know what you’re doing?’

Ik heb eerst even nodig om door de wind heen zijn accent te ontcijferen. Wanneer mijn hersenen het eindelijk uitgevogeld hebben, weet ik alsnog niet wat ik moet antwoorden. Is dit een oprechte vraag naar mijn plannen, of is dit de zoveelste man die mij wil vertellen wat wel en niet verantwoord is voor ‘een vrouw alleen’? Ik ben ze in Ierland nog niet echt tegengekomen, maar ze zullen er hier ongetwijfeld ook zijn.

Dezelfde weg terug

Ondertussen heeft de man – hij loopt al in de zeventig, denk ik – me van top tot teen opgenomen. Hardop concludeert hij dat ik eruit zie alsof ik weet wat ik aan het doen ben. Ik hoef zijn eerste vraag niet te beantwoorden, want de tweede volgt al. De man wil weten hoe hij bij zijn auto terugkomt, want hij heeft het helemaal gehad met de wind en de nattigheid. Zijn hond lijkt het daar ook wel mee eens te zijn.

Tot mijn eigen verbazing weet ik hem te vertellen waar hij heen moet. Hij kan kiezen: ofwel terug naar waar hij vandaan kwam, dezelfde weg terug, ofwel doorklimmen naar de top en daarna rechtsom afbuigen. De man kijkt omhoog, in de richting van waar de top zou moeten liggen. Hij vraagt me of het nog ver is, hoe ver hij nog zal moeten klimmen. Ik kan het hem niet zeggen. Blijkbaar zie ik er dan wel uit alsof ik weet waar ik mee bezig ben, maar vaak moet ik het ook hebben van het betere giswerk.

Omhoog

De man lijkt niet erg blij te worden van het vooruitzicht een nog onbekende afstand verder te moeten klimmen. Toch wijst hij het alternatief schouderophalend af. Dezelfde weg terug, daarvoor zijn hij en zijn hond al te ver gekomen in deze barre omstandigheden. En dus vervolgt hij zijn weg omhoog.

Ook ik kom weer in beweging. De klim is lang en het eindpunt nog niet in zicht. Ik hou van deze tochten, maar je kunt niet eindeloos rond blijven dwalen. Daarom ploeter ik gestaag door, op weg naar het volgende punt waarvan ik vermoed dat het de top is. Misschien heb ik het mis, maar anders helpt de illusie dat ik er bijna ben me in ieder geval weer een stukje verder.

Hoe hoger ik kom, hoe slechter het zicht wordt. Toch kan het niet anders: ergens verderop ligt de top. Dat geldt immers altijd – niet alleen als je een tocht maakt door de bergen, maar ook als je in je leven aan een ogenschijnlijk eindeloze klim bezig bent. Altijd ligt ergens verderop de top. En nog verderop ligt een plek waar het warm is en droog en behaaglijk. Daar ga ik heen. Daar moet ik wel heen. Hoe ver het ook is.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *