Sheep’s Head Way – ‘Gaan we doen’

Als ik mijn wekker zet voor 3.00 uur ‘s nachts, betekent dat meestal dat er iets bijzonders gaat gebeuren. Iets waar ik ongetwijfeld veel zin in heb, maar waar ik tegelijk ook een beetje tegenop zie: ik ga slaap missen en het gaat een nacht/dag worden die op zijn minst een beetje oncomfortabel is. Ik weet dat ik ervan ga genieten, dat staat vast. Eraan beginnen is alleen niet mijn sterkste kant.

In dit specifieke geval keek ik zodra mijn wekker ging direct een laatste keer naar de weersverwachting. Er waren de afgelopen week een paar flinke stormen geweest en er was al gewaarschuwd dat er nog meer slecht weer onderweg was. Het weerbericht zag er desondanks goed uit. Goed in de zin van: maar 3 of 4 uur regen en wind, daarna zou het moeten opklaren. Misschien zou de zon zelfs nog even tevoorschijn komen. Aangezien we van plan waren om op deze dag de volledige Sheep’s Head Way te lopen, wist ik vrijwel zeker dat we lang genoeg onderweg zouden zijn om van alles wat te krijgen.

Toen ik mijn plan om deze 95 km lange route te lopen een paar maanden eerder deelde met wat vrienden, zeiden de meesten iets als ‘leuk’, ‘succes’ of ‘veel plezier’. Eentje reageerde net iets anders: ‘Goed plan. Gaan we doen.’ Die zag ik niet helemaal aankomen – het merendeel van mijn niet-georganiseerde ultra’s tot nu toe waren solo-avonturen, vooral tijdens de lockdowns van de afgelopen paar jaar, maar ik verheugde me erop om deze keer wat gezelschap te hebben. Zo gebeurde het dat er die zaterdag twee mensen in hardloopkleren tevoorschijn kwamen uit een parkeergarage in Bantry. West Cork, half februari, 5.00 uur ‘s ochtends, stromende regen. Goed plan. Gaan we doen.

Het weerbericht bleek precies te kloppen: de eerste uren waren afzien, met harde windstoten en veel regen. De grond was al volledig verzadigd na de stormen die kort daarvoor over het land waren getrokken, dus we kwamen maar moeizaam en langzaam vooruit. Je kunt over het algemeen op twee manier reageren op zulke omstandigheden: op zoek gaan naar je innerlijke oermens en de strijd aangaan met de elementen, of je wentelen in zelfmedelijden. Ik deed een halfslachtige poging om die twee te combineren, waardoor ik rustig doorploeterde maar me ondertussen wel continu afvroeg waarom ik dit in hemelsnaam aan het doen was. Van paniek was geen sprake, dat zou ook zinloos zijn. Natuurlijk is het fijner om een lange tocht als deze te beginnen met een goed gevoel, maar ik weet inmiddels dat dat goede gevoel altijd weer zal veranderen in een wat mindere bui – en vice versa. Deze keer zou ik simpelweg wat langer geduld moeten hebben en rustig wachten op het moment dat ik me weer wat beter zou gaan voelen.

Toen de zon opkwam trok ook de regen langzaam maar zeker weg, en leek het moeilijkste terrein alvast voor een groot deel achter ons te liggen. Terwijl ik mijn hoofdlamp afdeed, was ik ook klaar om daadwerkelijk van de dag te gaan genieten. Het was nog te vroeg om te beginnen met aftellen, maar omdat we al een goed eind op weg waren richting de vuurtoren aan het uiteinde van het schiereiland (op 40 km) kwamen we ook al dichter in de buurt van de dorpjes waar we wat extra eten en drinken zouden kunnen kopen: Kilcrohane (54 km) en Durrus (74 km). Zoals altijd vermaakte ik me een paar uur met het fantaseren over alles wat ik zou gaan eten. Een sandwich, wat chips, misschien wel een pizza? Toen we aankwamen in Kilcrohane bleek echter dat de winkel dicht was.

Een vriendelijk oud vrouwtje dat net de lokale pub aan het schoonmaken was, kon ons gelukkig wat blikjes cola verkopen. Die waren op dat moment zeker welkom. Ze dweilde de vloer (nogmaals) terwijl ik naar buiten liep, en vertelde me aan één stuk door verhalen over de eigenaar van de winkel aan de overkant, over de buurman verderop, over haar echtgenoot en over mannen in het algemeen. Het begon net interessant te worden en ik was graag nog wat langer blijven luisteren, maar we hadden nog een flink aantal kilometers te gaan. Juist toen we Kilcrohane achter ons wilden laten, kwam er nog een man zijn huis uit om te vragen waar we naartoe gingen. Het duurde even voordat hij geloofde dat we daadwerkelijk heel Sheep’s Head in één keer aan het lopen waren, maar daarna kon hij ons wel nog wat nuttige informatie geven over wat omleidingen in de route net na Durrus. ‘Het staat goed aangegeven,’ zei hij, ‘kan niet missen.’

Het stuk tussen Kilcrohane en Durrus is niet het meest aantrekkelijk qua vergezichten, maar je kunt er wel wat vlotter doorlopen – helemaal in de winter, wanneer het gras en de varens nog laag zijn. We bereikten Durrus zonder al teveel problemen, en waren weer vooral gebrand op het vinden van wat eten. Ik was ervan overtuigd dat hier een degelijke supermarkt zou moeten zitten, maar het bleek een kleine dorpskruidenier te zijn. Gelukkig was hij wel nog open, dus hier konden we de nodige calorieën inslaan voordat we aan het slotstuk begonnen. Het was net donker aan het worden toen we de omleiding vonden waar de man ons over had verteld. Deze was inderdaad eenvoudig te volgen en was min of meer even lang als de originele route. Hierna konden we op een redelijk drafje aan de laatste heuvels beginnen; normaal gesproken is het niet zo goed voor je benen en voor je moraal om een ultra te eindigen met een flink stuk asfalt, maar nu was het een welkome afwisseling van alle moerassige ondergrond waar we ons de rest van de dag doorheen hadden geworsteld.

De laatste kilometers richting het centrum van Bantry waren hetzelfde als de weg die we die ochtend hadden genomen bij ons vertrek. Het was nu een stuk droger, maar wel weer net zo donker. De weg leek op de een of andere manier ook een stukje langer te zijn geworden. En toen was daar de finish: geen boog, geen mensen, geen muziek, geen prijzen. Hoe teleurstellend dat ook mag lijken, het is een van de dingen die ik het mooist vind aan deze sport. Je kunt zelf beslissen om je wekker te zetten op een onlogisch tijdstip, je eigen start en finish kiezen, gewoon beginnen met lopen en kijken wat de dag je brengt. Het heeft iets bijzonders om bij je hotel aan te komen in je bezwete en modderige kleren, en in te checken terwijl het niemand wat uitmaakt wat jij die dag hebt gedaan. Maar jíj weet wat je hebt meegemaakt, en jij bent een geweldige ervaring rijker. Jij hebt zojuist een nieuw avontuur toegevoegd aan je alsmaar groeiende lijst.

Daarom is dit soort dingen op een bepaalde manier aantrekkelijker dan races. Er is minder druk, je moet meer je eigen problemen oplossen en je hebt net wat meer vrijheid. Dat is ook precies wat ultrarunning überhaupt zo mooi maakt – je weet nooit precies wat er gaat gebeuren tijdens zo’n lange tocht, maar je weet dat je altijd een manier zult vinden om te blijven bewegen, om door te gaan, om de dieptepunten achter je te laten en om te genieten van je tijd in de heuvels, waar de rest van de wereld even compleet irrelevant lijkt. Daarvoor zet ik graag mijn wekker. Elke keer weer.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.